De geschiedenis van het verenigingsrecht

books-1177177_1920

Verenigingen zijn er altijd geweest. Toch is het verenigingsrecht pas laat op gang gekomen en is het een jong rechtsgebied. Er is niet veel over geschreven, maar de geschiedenis van het verenigingsrecht kent een paar eigenaardigheden die ik vandaag de dag soms toch nog tegenkom. De historie in een notendop.

Romeinen en Middeleeuwen

In de oudheid bestaan er de universitas, de voorlopers van de huidige vereniging. De Romeinen kennen de collegia. Dit zijn de voorlopers van de middeleeuwse gilden. Collegia zijn bonden voor een bepaalde beroepsgroep waarbij men vrijwillig kan aansluiten. Het grote verschil met de latere gilden is dat de collegia geen concurrentie regelt tussen de leden.

Rond de twaalfde en dertiende eeuw ontstaan de gilden en broeders. Deze hebben geen vrijwillig karakter meer. De organisatie is strak en alle leden moeten zich strikt aan deze regels houden. Om lid te worden van een gilde moet een meesterproef worden afgelegd. De verhoudingen tussen het gilde en het stadsbestuur verschilt van plaats tot plaats. Vaak moeten gilden hun erkenning als zelfstandige organisatie afkopen van het stadsbestuur.

1838: Vereniging erkend in wetboek

Het geschreven recht komt tot ontwikkeling. Maar de vereniging krijgt daarin geen plaats. De Code Civil van Napoleon in 1811 kent de vereniging niet. Het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek in 1816 heeft het over ‘vereenigde ligchamen en inrigtingen als personen beschouwd’ en het ontwerp van 1820 spreekt over ‘korporatiën, vereenigde ligchamen en stichtingen’. Maar in het wetboek van 1830 krijgen deze bepalingen geen plaats. Pas bij de herziening van het wetboek in 1838, na de Belgische afscheiding wordt een titel ‘zedelijke lichamen’ opgenomen.

De vereniging krijgt in dit wetboek een plaats in het contractenrecht. In oudere literatuur staat dan ook dat de vereniging ontstaat door een overeenkomst tussen lid en vereniging. In die tijd worden alle verenigingen als volwaardige rechtspersoon gezien.

1848: Vrijheid van vereniging in Grondwet

De vrijheid van vereniging wordt in 1848 in de Grondwet vastgelegd. Maar pas in 1872 wordt het coalitieverbod opgeheven. Honderd jaar later verschijnt de vrijheid van vereniging in verdragen: de Universele Verklaring van de rechten van de mens uit 1948 en het EVRM in 1950. De vrijheid van vakvereniging komt in de Wet CAO te staan uit 1937, het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen van 1948 en het Europees Sociaal Handvest uit 1961.

1855: Vereniging met en zonder rechtspersoonlijkheid

In 1855 komt de ‘Wet tot regeling en beperking ter uitoefening van het regt van vereniging en vergadering’ tot stand. Dit is een uitwerking van de vrijheid van vereniging in de Grondwet. Vanaf die tijd zijn er verenigingen met en zonder rechtspersoonlijkheid en dat is de voorloper van het huidige systeem van verenigingen met volledige en beperkte rechtsbevoegdheid. Het verschil ontstaat omdat men voor de oprichting van een vereniging toestemming van de overheid nodig heeft. Niet alle verenigingen doen dat. Overheidstoezicht is nodig omdat er meer en meer verenigingen ontstaan die op het randje balanceren van de maatschappelijke moraal. Denk aan vrouwenemancipatie, andere vormen van onderwijs of seksuele vrijheden. Verenigingen die strijdig waren met de openbare orde worden vooraf al geweigerd. Het overheidstoezicht is gehandhaafd tot 1976. In oudere statuten vindt je dit nog terug.

1976: Zelfstandig verenigingsrecht

Voor het verenigingsrecht is de inwerkingtreding van boek 2 Burgerlijk Wetboek in 1976 een belangrijke gebeurtenis. Toen kregen de lidmaatschapsrechten en het verenigingsrecht pas een eigen gezicht. Het verenigingsrecht wordt als aparte titel opgenomen in het wetboek en wordt losgekoppeld van het contractenrecht. Het lidmaatschap is een volwaardige rechtsfiguur en is niet langer verbonden aan het contractenrecht. Ook wordt de preventieve goedkeuring door de overheid vervangen door de rechterlijke controle achteraf zoals we die nu nog steeds kennen.

1994: Verenigingen blijven voortbestaan

Verenigingen worden in die tijd voor bepaalde tijd opgericht, met een maximum van 30 jaar. Daarna vervallen zij van rechtswege, of er moet voor die tijd een statutenwijziging plaatsvinden. Pas vanaf 1994 worden verenigingen voor onbepaalde tijd opgericht. Verenigingen van wie de geldigheidsduur nog niet verstreken is, zijn vanaf 1994 ook voor onbepaalde tijd opgericht.

mr. Marjo Vink

cropped-2016-visitekaartje-voorkant3.jpg