Ledenbinding: van aanbodgericht naar ledengericht werken

Verenigingen hebben er moeite mee om meer leden te trekken. De vergrijzing neemt toe en nieuwe aanwas blijft uit. Het is voor verenigingen lastig om ‘waarde’ te creëren voor leden. Dat begint al met een andere manier van kijken. Niet aanbodgericht, maar ledengericht.

Aanbodgericht werken

Veel verenigingen hebben van oudsher de neiging om aanbodgericht te werken. Zij zijn bijvoorbeeld een beroepsvereniging en creëren een aanbod dat gericht is op dat beroep. (Verplichte) cursussen en opleidingen om de vakkennis van de beroepsgroep op peil te houden en belangenbehartiging. Ook hobbyverenigingen zoals sport- en muziekverenigingen doen dat vaak. Men richt een atletiekvereniging op en maakt onderscheid in hardlopers, wedstrijdatletiek en jeugd. Bij de muziekvereniging heeft men één orkest en een jeugdafdeling van musici die in opleiding zijn voor dat orkest. Daarbij wordt er vanuit de vereniging gekeken naar het aanbod dat zij willen bieden en dat presenteren zij naar de buitenwereld.

Ledengericht werken

De veranderingen in de maatschappij vragen er echter om, om ledengericht te gaan werken. Werk je ledengericht, dan ga je eerst kijken naar wie zijn onze leden of, wellicht nog belangrijker, wie zou je als lid willen hebben? Wat voor vereniging wil je zijn, voor wie en past dat bij de (veranderende) behoeften van de maatschappij en de leden. Wat zoeken die leden bij de vereniging? Wat zijn hun verwachtingen? Wat hebben zij nodig? Tegenwoordig is het ook zo dat leden hun contributie terug willen verdienen. Het moet op een of andere manier lonend zijn om dat lidmaatschap te behouden.

Om daar achter te komen zul je actief je leden moeten raadplegen. Houdt eens een onderzoek onder je bestaande leden waar de behoeften liggen. Houdt een intakegesprek met nieuwkomers en vraag wat ze bij je zoeken in plaats van dat ze zich via internet aanmelden. Vraag verlaters concreet waarom ze vertrekken.

Vraag en aanbod bij elkaar brengen

Daar kunnen verrassende antwoorden uitkomen. Zo bood een beroepsvereniging voornamelijk cursussen aan over het vakgebied, maar bleek er een veel grotere behoefte te zijn onder de leden om juist bijscholingen over ondernemerschap, het aangaan van overeenkomsten en praktijkvoering te krijgen. Leden van beroepsorganisaties gaat het vaak om de informatie om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in het vak en belangenbehartiging. Dan blijkt de informatie te gebrekkig, geen uitstraling te hebben of simpelweg niet passend te zijn. Een sportvereniging kwam tot de conclusie dat zij uitsluitend voor gevorderde atleten en wedstrijdsporters nog een aanbod wilden hebben en een muziekvereniging ging naast de eigen harmonie ook muzieklessen en groepen voor ouderen en mensen met een beperking aanbieden omdat daar veel meer kansen lagen om nieuwe leden te trekken en subsidies te verwerven.

Kijkend naar ledendoelgroepen is het resultaat vaak dat je je aanbod beperkt of juist uitbreidt. Soms komt fusie of splitsing om de hoek kijken, trek je nieuwe doelgroepen aan of stoot je hen juist af waardoor er meer gelijkgestemden op de vereniging komen. Voor de een is diffrentiatie de oplossing, voor een ander niet. Waar het om gaat is dat je vraag en aanbod meer bij elkaar laat aansluiten. Zodat leden het waardevol vinden om lid te zijn en een duidelijk aanbod trekt ook nieuwe (gewenste) leden aan.

Vind je het als vereniging lastig om daarin je positie te bepalen, dan kan ik eens met je meekijken hoe je je als vereniging kunt profileren. Leidt dat tot wijzigingen in het beleid, dan kan ik dat op de juiste manier voor je in de statuten en reglementen zetten.

Marjo Vink

Marjo Vink is jurist verenigingsrecht en stichtingenrecht. Zij adviseert en begeleidt bestuurders en beroepskrachten van verenigingen en stichtingen in de non-profit sector. Marjo geeft trainingen en is spreker bij ledenbijeenkomsten. Zij is jarenlang juridisch auteur geweest bij Wolters Kluwer en is huisjurist van diverse koepelorganisaties.